Belastingdienst en de betekenis van de cijfer/letter codering
Een aanslagnummer is als volgt opgebouwd.
Het begint met een BSN of fiscaal nummer, gevolgd door een letter, daarna de tijdvak codering en vervolgens een status codering.
De letters:
Omzetbelasting
B – Omzetbelasting
F – Naheffingsaanslag omzetbelasting
O – Teruggave omzetbelasting
Loonbelasting
L – Loonheffing
A – Naheffingsaanslag loonheffing
J – Teruggave loonheffingen – bijdrage zorgverzekeringswet
Inkomstenbelasting
H – Inkomstenbelasting
Zorgverzekeringswet
W – Zorgverzekeringswet
Vennootschapsbelasting
V – Vennootschapsbelasting
Motorvoertuigenbelasting
M – Motorvoertuigenbelasting
Y – Naheffingsaanslag motorvoertuigenbelasting
Toeslagen
T – eindigend op een 1 – Kinderopvangtoeslag
T – eindigend op een 2 – Huurtoeslag
T – eindigend op een 3 – Zorgtoeslag
Overigen
K – Vermogensrendementsheffing
Z – Overige
Betekenis cijfer codering
Het aanslagnummer begint altijd met een BSN of met een fiscaal nummer, gevolgd door een letter. Na de letter komt een tijdvak codering en een status codering.
Deze zijn als volgt opgebouwd:
Het eerste getal is het laatste cijfer van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft gegeven. Als voorbeeld: 0 verwijst naar 2010, 1 naar 2011, 2 naar 2012, etc.
Daarna komt de status codering, die als volgt worden weergegeven:
0 tot en met 5 – 1e tot en met de 5e voorlopige aanslag
6 – definitieve aanslag
7 tot en met 9 – 1e tot en met 3e navorderingsaanslag
Als laatste komen de periode codes:
Bij maandaangiften worden de maandnummers gebruikt
01 tot en met 12 zijn de maanden januari tot en met december.
Bij kwartalen zijn de volgende periodecodes van toepassing:
21 – 1e kwartaal
24 – 2e kwartaal
27 – 3e kwartaal
30 – 4e kwartaal
Op de site van de Belastingdienst kun je het betalingskenmerk omrekenen naar een (module) een aangifte- aanslag- of beschikkingsnummer.. Of omgekeerd een aangifte-, aanslag- of beschikkingsnummer omrekenen naar een betalingskenmerk.